Rabiës
16 augustus, 2010 door Mathilde
Opgeslagen onder Aandoeningen - Ziektebeelden
De Nederlandse naam is hondsdolheid.
Het wordt veroorzaakt door het rabiësvirus, wat wordt overgebracht door een dier wat met hondsdolheid besmet is.
Het virus tast het zenuwstelsel aan en onbehandeld leidt het bij mensen meestal tot de dood.
In Nederland is al vele jaren geen geval van dodelijke rabiës geconstateerd welke ook in Nederland is opgelopen (inheems).
Wereldwijd vallen er rond de 70.000 tot 80.000 doden per jaar. Zeker 70% van de doden vallen in Azië (vooral India) en Afrika.
Ben je gebeten door een dier dat wordt verdacht van hondsdolheid dan is het verstandig om je zo snel mogelijk ná de beet te laten vaccineren. Dat voorkomt eigenlijk altijd dat je ook daadwerkelijk rabiës oploopt.
Oorzaak
Het rabiësvirus behoort tot de zgn. rhabdovirussen, en dan de kogelvormige rhabdovirussen. Die kogelvorm ontstaat doordat één van de hoofdeiwitten in het virus spiraalvormig omlaag loopt. Het rabiësvirus heeft een voorkeur om zich in het zenuwstelsel te nestelen en dan met name in het centraal zenuwstelsel.
Het virus bevindt zich in het speeksel van dieren met hondsdolheid, meestal in het wild voorkomende dieren, maar soms ook van gedomesticeerde dieren (huisdieren). Via een beet, maar soms een krab of lik komt het virus in de mens terecht.
De dieren zijn meestal (maar niet altijd) vleeseters (carnivoren), zoals honden, vossen, katten, apen of vleermuizen maar ook bv. konijnen.
Zijn er uitbraken van hondsdolheid dan betreft dat in West-Europa bijna altijd vossen. In de VS kunnen dat ook nog wel eens wasberen zijn. In Azië en Afrika komt het meestal voor bij vleermuizen, vleermuizen in Europa kunnen echter ook besmet zijn.
Je kunt niet altijd aan het dier zien of het besmet is met hondsdolheid. Een dier is verdacht als het zich onrustig of agressief gedraagt. Maar sommige dieren kunnen ‘drager’ van het virus zijn zonder er zelf (zichtbaar) last van te hebben. In dergelijke gevallen kan het juist verdacht zijn als een ‘wild’ dier zich ongewoon tam gedraagt.
Immunisatie (vaccinatie)
Afhankelijk van de plaats van de beet verplaatst het virus zich via de (perifere) zenuwbanen naar het ruggenmerg en van daar uit naar de hersenen. De tijd die daarvoor nodig is noemen we de incubatietijd, dit is de tijd die nodig is voor het virus om tot volledige werking te komen op de plaatsen die gevoelig zijn voor het virus.
Is de beet ver van de hersenen vandaan dan is de incubatietijd langer.
De incubatietijd kan daardoor variëren van 2 weken tot soms wel 1 of 2 jaar. De kortste incubatietijd komt voor bij beetwonden in het gelaat.
Door tijdige passieve en actieve immunisatie lukt het bijna altijd om ziekte te voorkómen. Daarbij worden zowel immuunglobulinen (afweer-eiwitten, dit is passieve immunisatie) als het rabiësvirus zelf (in een heel afgezwakte vorm, dit is actieve immunisatie: daarbij wek je door toediening van het virus in het lichaam eenafweerreactie op) toegediend. Die immunisatie moet dan wel plaatsvinden tijdens de incubatietijd, gezien de variatie daarin dus zo snel mogelijk ná het oplopen van de beetwond.
Actieve vaccinatie heeft een klein risico, maar na een beetwond van een dier met vastgestelde hondsdolheid of ernstige verdenking daarop worden die risico’s van vaccinatie voor lief genomen, gezien de vrijwel zekere kans op overlijden aan hondsdolheid.
Symptomen
Meestal begint hondsdolheid met griepachtigeklachten als verhoging of lichte koorts, algemene malaise (‘niet lekker’), hoofdpijn, afname van eetlust, keelpijn en misselijkheid. Later kunnen verschijnselen optreden als prikkelbaarheid, verhoogde spierspanning en overgevoeligheid voor licht of geluid.
Belangrijkste symptomen zijn abnormale sensaties in en rond het wondgebied: pijn, kou, jeuk of tintelingen treedt vaak op. Gevolgd door hypergevoeligheid van het gebied en spierkrampen rond de wond. Karakteristiek is het optreden van spierkrampen in de slikspieren, waardoor angst ontstaat voor eten of zelfs het drinken van water. Bij voortgaan van de ziekte treden verlammingsverschijnselen op in steeds meer spieren en uiteindelijk raakt men in coma, gevolgd door de dood.
Preventie
Ga je langer dan 3 maanden naar een gebied waar bekend hondsdolheid voorkomt laat je dan inenten (passieve methode).
Voorkom contact met potentiële dragers van het virus. Aai nooit in het buitenland loslopende honden of andere dieren die je kunnen bijten. Lijkt een vos ongewoon tam, raak hem dan toch zeker niet aan.
Word je onverhoopt toch gebeten door een dier wat mogelijk hondsdolheid heeft of kan hebben, dan moet dit dier het liefst worden onderzocht of het de aandoening ook werkelijk heeft. Liefst moet het dier dus worden gevangen en in quarantaine worden geplaatst. Er is wat tijd om dat onderzoek af te wachten om te bepalen of je gevaccineerd moet worden of niet. Kan het dier niet gevangen worden of is er twijfel aan hondsdolheid dan moet voor de zekerheid toch gevaccineerd worden. Naast passieve en actieve vaccinatie kunnen tegenwoordig ook antistoffen worden gegeven.
Gerelateerde berichten: